eindspel – gerardus

toen ik eindelijk
tot slot klaar kwam

bleek ik eigenlijk
helemaal geen zin

later hoorde ik
dat meer mannen

media leggen
te veel nadruk

op voorspel
en dat trek je niet

zonder pilletje
of echte liefde

* – bennie spekken

licht aan het einde van de tunnel

een spookrijder

* – jan zeegers

Herr von Ufoberg en ik waren zaalknecht
op de psychiatrische afdeling
van bungalowpark De Katjeskelder.
We hadden seks, maar het was ruwe seks,
en we werden betrapt door agenten met een lasergun.
Ik spuwde zijn sperma in een plastic zakje en gaf het aan de politie.
De rechter noemde ons “het bewijs
van de absolute neergang van de beschaving”.
Zelf droeg hij een horrormasker en een enorme
voorbindpenis van vijfendertig centimeter.
Na mijn vrijspraak nam ik bulkdrugs uit de super.
Het kicken was goed. Het flippen geweldig.
Als het regent op Venus
zien meer mensen vliegende schotels
en dan trap je keihard in hun kloten
tot je vlees op straat ziet liggen.

ramsey’s vaderlandsgedicht – eelke van es

Wie neerlands bloed in d’aders vloeit
van vreemde smetten vrij
wiens hart voor leed en aandacht gloeit
verplaats uw blik naar mij.
Vandaag zien wij weer één van zin
de pennen afgestoft.
Vandaag zet ik mijn weeklacht in
voor poëzij en schoft.

Ik eer de lezers van mijn land.
Hun vlekkeloos discours
vertelt mij wat het volk verlangt:
de kiespijn van een boer.
Ik eer mijn lezers hemelhoog
en schrijf als een fascist
die jan en alleman gedoogt –
zolang als hij beslist.

Beschermt gij, lezers, onze grond
waar ’t melodrama blaat,
gij die zo rein zijt, kerngezond
en zuiver op de graat.
Wij smeken om een zachte hand
wij zijn niet van de straat.
Behoud voor ‘t lieve lezersland
de priet- en kwezelpraat.

Braakt uit, gij vrienden van ‘t begin
uw zang, uw woord, uw gal.
Niets is taboe of ons te min
mijn bagger minst van al.
Verwijder dus wat u niet zint
spuug uit wat niet bevalt
laat zien hoe u mij hier bemint
omhels me op mijn smalst.
Hoe klopt ons hart, hoe zwelt ons bloed
bij ‘t rijzen van mijn toon.
Klonk ooit een kwelender gemoed
een leger hoofd zo schoon?
Waar hoorde men die zwanenzang
voor volk en vaderland?
Ik zing hier ook in uw belang
het staat al in de krant.

Verzwijg wat afwijkt van uw bloed
en van uw dichtersbuik.
Verdelg het niet, bewaar het goed
zodat de ernst ontluikt.
Wie hier nog onze humor zoekt:
los op in brandend veen.
Waar elk verschil werd opgedoekt
zijn staat en zanger één.

Wie neerlands bloed in d’aders vloeit
van vreemde smetten vrij
dat liedje staat weer eens in bloei
door dwazen zoals wij.
Volgaarne word ik door het volk
van Wilders aangerand
Dan prevel ik weer van mijn wolk
naar schoft en vaderland.

koekoeroe! – martin m aart de jong

Er moet dus iets zijn waar voor je schrijft
dat je bezeten bent
succes op succes stapelt
en rond deelt voor het ochtend is.

Waarom de papieren niet naar jou
kleuren weet je pas nadat
het spel gedaan is.

Thuis in de stilte
roffelt een verwarmingsbuis.
Er rolt een regentraan langs
dubbel glas. Je bent uit lood
geslagen, telt je vingers af, ruikt eraan; denkt aan duiven
op een balkon.

Je zou uit willen vliegen
en je reikwijdte van vleugels
willen overstijgen,
de wereld onder je zien
en weten dat je daar deel aan hebt.

Erbij horen, iemand zijn
is zien.

moeder – trijntje gosker

toen zij dement werd
begon ze te vloeken
ik moedigde haar aan
stopte steeds meer
kwartjes in de automaat
en alle aapjes dansten

ze is vredig gestorven
mijn moeder

vader – trijntje gosker

ik hield van rommelende wolken
het schichtig flitsen van het vuur

we telden de verte, het kwam en het ging
nog voel ik de spanning wanneer het weer terugkwam

door het zijraam blonk de volledige hemel
boven het voetbalveld

vader trok me er bij weg
legde de bijbel op tafel, sprak een gebed

ik heb zijn god nooit goed begrepen

wrong place wrong time – gronama

tussen bruin en rood
ligt een kapotgetrapte
zonnebril morsdood

herfstzon – gronama

de singel
draagt haar
hardste schaduwen vandaag

dwars door felgroen gras
snijdt gitzwart
lange rij
kastanjebomen

in koudere lucht
tot hier gekomen
voelt men warmte
zachtheid
langzaam
uit de dingen stromen

tijd – wout waanders

Het klokje tikte zachtjes
Tegen het raam van de poëet
Deze liet het klokje binnen
Sloot het raam en probeerde
De pen weer op te pakken

Maar toen hij net weer was gaan zitten
Tikte er een tweede klokje
Tegen het raam

De dichter deed weer open
Liet het klokje binnen
En sloot het venster

Er kwamen steeds meer klokjes
Een derde, een veertiende, een achtenzeventigste,
Elke paar tellen tikte er een klok
De dichter bleef steevast zijn raam openen

En dat is alzo gebleven tot op dezen dag.

wildgraaf – wout waanders

het bos waar we in renden had hoge takken als daken
en lage takken als muren en de bladeren wapperden maar wat
onze handen glipten over de natte varens
eronder onze voeten en de grond van mos als een vast land

je begint te praten in het zomaar enkel om me niet kwijt te raken
ik ben normaal een deftig persoon en draag hoge hakken
en de piano staat in een soort salonachtig bijgebouw
ik speel er zelden op de huishoudster maakt hem schoon met groene zeep

soms als ik ’s nachts in het diepst van mijn dekens luister
hoor ik slordige dames vunzige liedjes spelen
de toetsen klinken in hun handen als watervallen van modder
het water klettert tegen onze knieën

we zullen erdoorheen moeten waden zeg ik haar
ze let niet op haar voeten die in het slik steken
ze houdt mijn wandelstok vast en de dolk van hout die ik haar sneed
de stroming is sneller dan we dachten ik grijp naar alles wat drijft

mijn slik is water geworden en de zalmen als muren
je huis is een gerechtshof waarvoor wij moeten boeten
als een eenzaam protest hoor ik achter het hoge raam
een dame die zacht begint te praten

leven is een mobile 26/10/2010 acg vianen

leven is een mobile 26/10/2010 acg vianen

leven is een mobile 26/10/2010 acg vianen

het huis zonder veranda – wout waanders

in een diepe vroege ochtend sluipen we uit de dauw
naar buiten roepen alle mozaïeken bouwwerken
met hun groene kopjes hun scherpe azuurblauwe randjes
en een meisje schommelt in de verte op de grens van ons zicht
het gepiep en geknars lijkt op de roep om een ontbijt

en de thee is op en de peanutbutter is op en de marmelade
verveelt zo snel met zijn grote stukken schil
in het gras rondkijken met onze konten nat over talloze bomen met druppels
en kleine wolkjes alsof het eenmansfabrieken zijn en wij
twee apen die met open mond een metropool ontdekken

de potjes rollen zich een glinsterend spoor
over onze heuvel heen
wat zal zo’n potje niet bereiken wat wij
in een nacht

je zegt me alleen dat je het fijn vindt
dat het bos zich
uitstrekt alsof een lang en lomp beest
waarna ze in mijn schoot weer even in slaap valt

gedicht, betitel mij – wout waanders

Na al duizenden dichten
Geschreven te hebben, vele zinnen onduidelijk afgebroken,
Andere symbolen in te verre streken gezocht

Na vele handen te hebben geschud
Parades en conventies, vergaderingen en thema-avonden
Af te zijn gegaan. Vele regels foutief te laten rijmen

Als een sprinkhaan van
Het realisme naar het postmodernisme gegaan,
En terug, want heden een dichter kent geen leiden

Na als een barbapapa
Vele vormen te hebben aangenomen, zonder reden,
Dan door de fruitmand te lopen, dan over de hemel te zweven

En ook sonnetten, eva en romano,
Ruim rekenend met metrums, als loden subways door de versveste,
En hoofdletters, laagletters, kiezen voor een titel (wat heb ik nou weer voor hoedje op)

Word er zo onderhand kotsmisselijk van, gebenendraai op papier
Ken het ik nou wel, de woord het woord het is mij als interpunctie om het even
Was ik maar een kraanmachinist, vanaf geboorte ingegeven.

Dan was dit gedicht,
Il Duce, mijn vader,
Zeven stukken beter.

zeeuw aan de nijl – wout waanders

Het is hier zo rustig.
Alleen af en toe een visserman.

In het boek staan woorden,
Kon ik ze begrijpen, ik lees ze
Alsof het tekeningen zijn.

In de boot vaar ik samen
Met een man, ik kan
Zijn naam niet duiden,
Zijn ritme volgen.

We gooien een netje uit,
Aan alle kanten zitten stenen.

Een blanke op de kant leest een boek.
Schrijft in een schriftje.

Geluid! Wat ik roep,
Wordt niet begrepen en gehoord.

lou reed heeft mijn gedicht verknoeid – delphine lecompte

Waarover kan ik schrijven?
Ik bedoel: Waar zal ik beginnen?
Ik zal beginnen bij de ochtend
Van 29 september 2010
Als ik deze dag overleef
Dan is het niet mijn sterfdatum.

Het is begonnen met opstaan
De gootsteen was droog
De ijskast klaagde zonder platte kaas in haar schappen
De haan kraaide omdat de buurvrouw had gelogen
Over haar beenzweren en haar zwartgalligheid
Het waren geen echte leugens
Het was de waarheid afzwakken
Om haar tere bibliofiele zoontje te sparen
Zijn naam is Didier.

Die zoon leest mij niet
Ik vind dit schandalig
Maar wat kan ik doen?
Ik ken hem niet goed genoeg
Om hem hard genoeg te straffen.

Na het opstaan kwam de mist
Iedereen zei er iets over
De sponzenverkoper zei: ‘De mist is poëtisch.’
Ik antwoordde chagrijnig: ‘Sponzenverkoper, blijf bij je leest.’
Gelaten en komisch at een Duitse toerist een marsepeinen banaan
Op een bankje dat hij deelde met een duif die niet blaakte van gezondheid
De toerist blaakte evenmin
Niemand blaakte
De mist nog het minst.

Ik dacht aan Lou Reed
Nu is mijn gedicht verpest
Omdat ik Lou Reed heb genamedropt
Als 29 september 2010 mijn sterfdatum niet is
Dan begin ik morgen opnieuw.

maak ons wijs dat we genadig zijn – delphine lecompte

Ik maak iedereen wijs dat ik vrij ben
Ze geloven mij
Ik zeg tegen de oude kruisboogschutter
Dat ik naar de supermarkt ga
Hij gelooft mij niet
Hij denkt dat ik naar mijn moeder ga
Om haar abrikozenconfituur te stelen.

Ik huppel naar de supermarkt
Een man vraagt wil ik een petitie ondertekenen?
Tegen ratten in doolhoven
Hij toont foto’s
Van zijn dochter toen ze tien was
Verkleed als verkrachte Vikingvrouw,
Als Colombiaanse sjamaan, als Mickey Mouse.

In de supermarkt wil een vrouw weten
Waarom ik staar naar de prothese van haar kind
Een oude man plast in de bak afgeprijsde kalfskoteletten
Niemand zegt dat het niet erg is
Dat hij zich niet moet schamen
Dat hij de blikken vandaag niet moet betalen
Mijn minst favoriete caissière beweert:
Zo’n vader heb ik thuis ook!

Ik betaal mijn bokalen
Met schorre stem en gepast geld
Als ze leeg zijn mogen er insecten in
Zonder ademgaten ben ik geen haar beter
Dan die Chinese laboranten
Of waren het Japanse
Het heeft geen belang; ik heb niet getekend.

somberder dan een bipolaire ex-visser zonder vader – delphine lecompte

Mijn moeder leeft nog
Ze leeft graag
Mijn vader leeft nog
Hij leeft minder graag dan mijn moeder
Iedereen die mij heeft gekend met melktanden
Leeft nog
Behalve mijn grootvader
Bijna was ik vergeten dat hij is gestikt in een tandenstoker
De dag voordien had hij er nog over geschreven
Maar in zijn verhaal was het zijn vrouw en een paperclip.

Ik eet een banaan
De associaties zijn gekmakend:
Jungle, aap, liaan, incest, slavernij,
Slapstick, Chaplin, penis, de hond van de schoenmaker,
Gokverslaving, boeteprocessie, suikerspin, rondborstige nicht
Dan is de banaan op en ben ik vergeten te genieten
Een bipolaire ex-visser tikt op mijn ruit met zijn opzichtige doodskopring
Het is geen doodskopring, het is een necrotische middelvinger
Of is het jicht?

Ik laat de visser binnen
Hij neemt een stuk fruit aan
Zonder schil is het obsceen en woordeloos
Kromgebogen als een gesard orgelaapje in een krap matrozenpakje
Knabbelt hij schuldbewust in het midden van de woonkamer
‘Mijn moeder is ziek,’ liegt hij
‘Mijn vader is dood,’ voegt hij er waarheidsgetrouw aan toe
Ik laat met opzet mijn vingerhoed vallen
Op de grond zoek ik naar een gepaste reactie
Ik vind een schoppenaas en een smurf verkleed als landmeter
Terug boven kunnen ze hem niet opbeuren.

wat een ijdelheid – delphine lecompte

Ik denk na over mijn bestemming
Wat zal ik doen: mijn moeder bezoeken met tulpen
Of mijn tuberculeuze tante met gedroogde vijgen?
Geen van beiden
Ik besluit naar een gelovige vriend te gaan
Hij is niet thuis
Maar het licht brandt
In zijn sobere woonkamer
Schijnt het op een stilleven van theebuiltjes en opengesneden forellen.

Ik bezoek mijn moeder zonder bloemen
Ze negeert mij en chat verder
Met haar Libanese toneelschrijver
De vader van geen enkel kind
Ik plunder haar kasten
Met een uitpuilende rugzak vlucht ik
Naar een ander land
Het is niet exotisch, het is Nederland.

In een kunstmatige grot overnacht ik
Tussen paardendieven en kattenmoordenaars
Voel ik mij nederig en/of heilig
Ik voeder ze
Bonen van mijn moeder
Borsten van mijzelf.

In een nis staat een beeld
Van een brandweerman die
In zijn armen een bundel dode bejaarden draagt
’s ochtends wordt het een houthakker met zijn kroost.

zelfmoord en doop – delphine lecompte

Mijn moeder verwenst mij tijdens de doop
Ze is niet uitgenodigd en draagt paars
Er hangen haaientanden aan haar handtas
Ze kletteren als boze kraaien op een warme motorkap
Een schriele oom probeert haar buiten te werken
Het duurt uren en het doopfeest wordt stopgezet.

Na de geaborteerde doop zwerf ik rond
In de kuststad waar ik gewoond heb
Is iedereen op zoek naar een bloedende afgod
Om een centje bij te verdienen
Een fortuin om de lokroep van de golfbrekers te ontvluchten
Maar iedereen keert uiteindelijk terug
En 90% van iedereen glijdt moedwillig uit.

Ik ben nog steeds aan het rondzwerven
Nu betreed ik een tempel
Hier kan je Chinese calvados drinken en
Gokken op paarden die genoemd zijn naar vermoorde filmsterren
Hollywood, maar ook Bollywood, Praag en Oostende
In een achterkamertje vind ik de zoon van de uitbater
Toen we twaalf waren kreeg ik zijn melktanden
In de plastic schatkist van zijn waterschildpadden
Hij dacht dat het hem recht gaf op mijn ontmaagding.

Hij kust mij op mijn linkerwenkbrauw
We roddelen over mijn moeder en
Halen herinneringen op aan zelfmoorden van vroeger
De explosieve van de loodgieter, de banale van de schoonbroer van de sponzenverkoper,
De twijfelachtige van de notarisvrouw, de moedige van de schoenmaker
De stinkende van de taxidermist, de nobele van zijn moeder.

brandganzen – eelke van es

brandganzen - eelke van es

brandganzen - eelke van es

de reus en zijn ros – ellen vedder

Met groot gemak neemt hij plaats
op zijn troon op de hoogste stand
van zijn oversized fiets

Schikt zijn benen in positie
meterslange dijen overgaand
in machtige kuiten besturen
enorme voeten dwingen
pedalen tot krachtige slagen

Een adelaarsblik op iets in de verte
de wind heeft geen grip
op het gemillimeterde haar

Zo fietst hij rond
haalt iedereen met suizende slagen in
verpulvert klinkers, asfalt, neemt afstand

Aan hem kleeft niets

voyeur – vera de brauwer

tijdens een zonbestoven middagpauze
winkelwandel ik naar het tweedehands literair salon
waar ik nooit zonder gezelschap buiten kom
mijn flemende vinger streelt de namen van dichters
wiens bravoure verstilde
wiens bundel men kwijt wilde
wegens
te vernieuwend, te oud
te braaf, te stout
te hermetisch, te open
of gekregen wat men nooit zelf zou kopen
 
wie zal ik behoeden voor het onverschillige stof
dat noch de verwaande, noch de bescheiden dichter ontziet?
daar prijkt onverwacht de begeerde bundel
warmbloedige verzen, met kunde vertaald
ongeschonden, hij lijkt haast niet aangeraakt
gulzig sla ik het eerste blad om
struikel languit
over de opdracht
 
hoe zij met Valentijn 2007 wou verdrinken
in zijn blauwe ogen
ik voel me een indringer in hun verhaal
een dief, een voyeur, ik zou dit niet mogen…
en dan het besef dat dit boek werd verkocht
dat het lezen, bespotten en zelfs het verscheuren
van dit tweede blad mocht

 

 


Een gezongen versie is te beluisteren op http://veradebrauwer.punt.nl/

gaan – vera de brauwer

laten we de vredespijp begraven
ziek als we zijn van de serene roes
ach, ook de strijdbijl is aan ons niet besteed
wij hebben geen weet
van hoe het vechten moet
met vergieten van bloed

wij steken niet, we dreigen
wij breken niet, we zwijgen

ik ga
jij gaat
het ga je goed

vrije val met opa – martin m aart de jong

Er moet een dag zijn dat het anders is
dat ik het raam uitstap de vaste grond
weg zakt, een vrije val van 30 jaar
me jonger maakt dan ik al ben.

“Opa”, roep ik, en hij zwaait
terwijl ik val. We lachen
zoals we deden toen we elkaar

voor het laatst zagen, maar nu
met een blije blik vol herkenning.
“Ik heb je toch gezegd, dat alles
goed zou komen!” roept hij naar me.

We vallen, en we lachen en we blijven
vallen met de tijd die nooit stopt.

het wordt weer lente – marcelle gestarius

als je zeggen kunt
dat je iets kunt zeggen
en dat zo kunt zeggen
zoals je het zeggen wilt
als een gebekt vogeldier
uit kunt vliegen
op jouw manier

vlieg dan toch verdomme
blijf niet piepen
op die tak

er zijn genoeg
eierschalen
met een lege weg
terug

mijn vriendin ging twijgen rapen bij het ochtendgloren maar verkiest uiteindelijk psychologische spelletjes – jacques santegu

Laten we hopen dat we beiden duivels zijn
dan kunnen we tezamen haten
Want zo dreigde mijn lief:
“ik zou je nog liever aan de kant
schuiven
dan aan onze liefde te verzaken”

Sloeg ik haar tot bloedens toe
Om niet van ons verlost te raken
niet zozeer uit liefde
Want zo dreigde mijn lief:
“Dit lijden word ik nimmer moe”

“Ik zou je nog liever in de hel zien branden
Daar schept men op met losse kolenhanden”

Sloeg ik haar eindelijk de stilte in
Om niet van ons verlost te raken
niet zozeer uit liefde
Want zo dreigde zij:
“Ik ben klaar nu jij jouw zin”

natuurfoto – gronama

natuurfoto - gronama

natuurfoto - gronama

bange dagen – eelke van es

Herfstig koud regenweer
Hard valt de Hemel neer
Zacht snijdt het mes
Door ’t publieke bestel

Prikkelbaar roert zich de
Mediaziekenboeg
Sloom en onklaar
In ’t etherisch gezwel

tip – gerardus

Druk herhaaldelijk op om de getallen een voor een te
verwijderen indien u een fout heeft gemaakt.