lijsttrekker – edwin de voigt

lijsttrekker - edwin de voigt

lijsttrekker - edwin de voigt

eerste persing – eric rosseel

ik weet niet aan wie ik zou kunnen denken
wie lastig te vallen met een aangebrande appeltaart
of wie in gebak en taart aan mij zou kunnen denken
en me daarmee een namiddag lastig vallen zou
wee herinneringen: ze zijn verschrikt uiteengestoven
in alle wereldse ochtenden tot olijfolie geperst
geplet in de spleten van tirannieke spelonken
mijn zinnen hangen tot een bazige tros aaneen
alles gefilterd wat niet op flessen wijn te trekken viel
om jaren later naast een kaars vlekken te slaan
op de bloes van jan en allemans minnaressen
ik leef in voorbeeldige cirkels op een fiets op rollen
alles aan huizen & bomen dat bevallig me voorbijzoemt
dat zoemt bevallig me nu reeds jaren elke dag voorbij
even pijnlijk als me ooit door de volkswijsheid beloofd

liefst bedrijf ik dan maar de liefde
met het hete schuim van een glas bier
zo stomdronken dat morgenochtend
ook daaraan de herinnering is gefilterd
tot zuivere olie van eerste persing is vergaan

over leven in het vreemde – gerda blees

I

Over schoonheid

Vochtvlekken gelijken fraai gekalligrafeerde vogels
Fladderend in de bries van wapperende wieken
Bezien door wazen van malariabescherming

Warmte plakt als zoete olie
Televisies stralen werelden van wonderen
Kinderen ze glimmen puurder dan de zwartste chocolade

Zonnebrillen kleuren roze

   
II

Over smerigheid

Ze barsten als wc-potten en -brillen
Luxe uit een ver verleden zijn geworden
Net wanneer de magen die zich om het vreemde voer verknopen
Ze voortdurend willen vullen
Als de vliegen zich gevestigd hebben
Op de wonden van de zieke honden
Dan verhuizen naar de kommen waar we met de handen
Nog meer onbestemde smurrie uit gaan eten

Kranig vechten we tegen de bierkaai van besmetting
Met ons allerlaatste restje
Antibacteriële zeep

Tropische koortsen gloren aan de horizon

ontmoeting met mijn moeders vader – gerda blees

De zwarte mannen in hun overhemden
Zijn zoals mijn opa in de jaren vijftig
Lijkt me

Stille borsten
Beleefd en bescheiden
Naar verhouding welgesteld

Hij, mijn opa
Op de foto’s in de jaren vijftig
Droeg hij altijd grijze truien

Of ik op hem lijk
Stil ben ik wel
Graag draag ik grijs

soap in afrika – gerda blees

Zegt de zoon

Vader
kun je me recht kijken in de ogen
en me zeggen dat je nooit
voor seks een vrouw betaalde?

Zegt de vader

(…)

nee dus

Zegt de zoon

Ik doe afstand van mijn erfdeel,
trouw de ingekeerde vrouw
die vroeger sekste om te overleven

Grijpt de vader naar zijn hart
Zakt kreunend in elkaar
En sterft

bedenkelijk – gerardus

over links…
over rechts…
door het midden…

we moeten de ander
laten creperen

uitgaan van gezamenlijk belang

ons doel is hun doel

maar dan omgekeerd

als je begrijpt
wat wij voor ogen hebben

voetbalvrouwen ruiken
minder naar vis

dan wat we gewend zijn

constatering – gerardus

dat we kampioen worden
- van de wereld -
dat staat vast

alleen wanneer
blijft de eeuwige vraag

verstand – gerardus

mochten we niet verder
dan had ik het toch
goed voorspeld aangevoeld

overgang – raf geusens

de tederheid is weer voorbij
de zinnen zijn verzet
en uitgeblust de vuren

laat binnen nu het donker
en knijp de ongebruikte ogen
ontdoe de huid van overschot
de voeten van hun overtal

waar is de plek die groeit
de kiem van nieuwe wensen

klacht – raf geusens

ik zoek soms naar het felste woord
de scherpste stem
de diepste haat

en als ik dan
naar mijn gevoel
geslaagd ben
zeer geslaagd
komt langzaam in mij schaamte los
als zuur dat knaagt

mijn liefste woorden zijn gevlucht
ik mis ze nu
en droom van zinnen
in een oude lucht

gekregen – raf geusens

een mooie ronding
in de dij
de rug een zonk
tussen schoft
en lendenen
de hak geprononceerd
boven de witte kootjes

zacht legde ik mijn hand
op voorlok en op kruin
ik opende de bek
en deed wat men niet doet
ik keek

het krijgen viel mij zwaar
ik geef het terug

een jorannet – martin m aart de jong

Het is zoals je oorbel rinkelde. Jij in gesprek met je dode moeder
die gisteren was overleden. Dat het al uren geleden was vond
je geen reden het eens over mij te hebben. “Ik heb gevoel…” zei
ik nog. “Je moeder nooit meer.” “Kun je geen slechter gedicht

voor me schrijven? Dit raakt me nogal…” Ik sloeg de tanden
uit je paardenbek. Zei je nog zo dat ik het expres deed
om mijn handen pijn te doen. Normaal praat ik nooit
met vrouwen nadat ik ze geslagen heb. Nu wel, maar

waarom is een vraag en geen reden er bij stil te staan.
“Hoeveel geld zouden die vullingen opbrengen?” Vroeg
ik je vriendelijk. Je begon weer eens te janken. Daar

word ik nou zo moedeloos van. Dat totale gebrek
aan humor. Dat heb ik nou nooit. Overal kan ik
om lachen. Vooral als ik ze zelf heb omgebracht.

over schoenen – sabine van den berg

twee strikjes
glanzen zwart
koket
achterop haar schoenen
dansen kan ze
voor geen meter
schoenen kopen
des te beter
prachtige kousen
daarin gestoken
perfect plaatje
tot na twee dansjes
een strikje losraakt
en quasi armoedig
richting dansvloer staart
over de betovering

de fabel van de revolver en het ontplofte hoofd – eric rosseel

het leven en beleven uiteindelijk van de laatste dagen
van de annalen en de bacchanaliën – de vier jongen van de merel
zijn heelhuids uitgevlogen, volop buitenwaarts en over de linies
die verschuiven van kale godvrezende heuvelruggen naar
de zoete glooiende wanhoop en in zee gebade pootjes
- wee de ronzebonzende man en zijn koppel dode honden
de kanonnen van de soevereine verte en hun eeuwige sneeuw
heel nabij zijn ze – ze jagen het stampvoeten van pest en cholera
door de ontfermde spleten van mijn keel – alles met inzet
en respect voor de echo van de schaduwen in de éne grot

er is de loop van de geschiedenis zo heilig
en er is de loop van de opgepoetste revolver – buiten de lade
zo pal voor het laatst heropgestaan en hemelwaarts gericht
een feniks eieren broedend op haar as en dan: knal klinkt
de natuurramp en de stijl waarmee ze de slang de kop afbijt

hier staat te lezen wat nooit eerder is gebeurd
de uren van de dag die al overhaastig uitdoven en die
weergaloos wegglijden in de meest eenzame
meest reine afgrond – geen brug geen touwladder
overspant deze tijd die zich opbaart zich balsemt
in de virginale olie van dat éne scheurende schot:
voilà! werelden geopend, boeken gesloten in onverschilligheid

de cirkel trouw aan zichzelf

[dinsdag 8 juni 2010; 11 uur]

pro gilles deleuze – eric rosseel

daar – daarginds
sluip ik geheven hoofd en zonder
kleuter- en peutertrauma’s
uit de vesting mijn vesting mijn Tower Bridge
zonder pet of das en een dichtgeregen
geveterd dicht gevederd hart
mijn Louis XVII bolwerk en Bastille gestut
door sleutels geolied in ijzer en plicht
in het Winterpaleis de deuren
verliefd op hun hengsels
Pattex-verkleefd
loodzware formules in C-klein
de grensscheppende hellehondse alchemie
van Kerberos de Kunikos in het
zweet bloed en tranen Alexanders aanschijns
diens honderdjarige oorlogsvoorhoofdsgroeven
gulzige Kerberos en zijn keffende brasserijmaten de
kroonprinselijke draken met twaalf of
zelfs een dozijn vlammenwerpers gedekt door
uniforme stalinorgels en vaandeldragers
de burger: wel die burgert in en uit

daar niet, hier wel bevestigt en affirmeert
mijn bestaan zich buiten alle sporen en perrons
als een verlangen dat erop uittrekt

om erop uit te trekken
zo welt zo woekert leven
in de slaap en nog meer in de dood
de remmen oef! niet meer werken

dat: de duizend luchten en lichten
van voorzomermaanden
het lawaai van volkomen Ego-stilte
Ego bij de strot dichtgeknepen panne
in de Kanaaltunnel en de pijnappelkier
zeg wel: de inspiratie! de inspiratie!
de bron die geen weet heeft van zee en oceaan
ook van mij geen weet hebben wil

[schemernacht 2 juni 2010]

om de deur meteen maar in het slot te gooien: – martin m aart de jong

Zeg gedag want collega’s gapen mij aan
willen denken wat ik te bieden heb
aan kauwend, malend groen gedachte
goed. Met je staart omhoog laat je alles
de vrije natuur.

                    Hoe puur wil je er Zwitserse
chocola van maken met een paars gepluste
wikkel, met je achterpoten op je buuf voor
jaarlijks uitwieden. Vliegen meppen met je
soepstaart. Prikkeldraad tot hier en niet verder.

Er is een sloot waar je niet over heen
kunt lopen. Erin is een optie die je weg
laat zakken. Daar hebben we vorig jaar
de kranten mee gehaald. Nu staat er
een ander elftal in de wei. Die melken
alles uit wat voor hun voeten komt.

ik wil de koeheid van de dingen – martin m aart de jong

niet bedwingen. Laat alles zijn loop.
Op de oeverloze graszee graast nog
altijd de vee vormige overwinning
op de waan van alledag. Ja, de A4

wordt verbreed, maar de stilte slikt
niet alles weg. Het neemt het op voor
de vroege weidevogel. Mijn fietsband
versterkt met dit land op een rubber

tapijt. Het draait molens om langs
fluitekruid, bereklauw, weegbree
en paardebloem, het roept stil op

tot verzet. Neem niets meer weg.
Kroos in de sloot drijft eenden
voort langs rietkraag en ratten.

* – benne

Nu de rook om mijn hoofd is verdwenen,
kan ik wel een peuk gebruiken.

Nu ik nuchter al die komma’s neuk,
voel ik me van mijn rust beroofd.

Niet dat ik niet verdiend geniet,
maar ik let je om te komen ruiken;

ik voel me ieders lettersletje,
van fijne lul tot slechte vriend.

Wie ziet die rust nog in mijn zinnen
nu ik begin en stop en weer begin,

ik steek geen joint of peuk meer op,
beminnen rijmt maar net met lust.

Waar ik tussen de regels schreef,
tussen de schrijfsels regel ik

nu op dreef een nieuwe kegel
om mijn vlammen mee te blussen.

* – benne

Je plakt tegen mijn verhemelte,
hoger laat je je niet prijzen

mijn gevallen engel met bengels
die me wijzen op je hoogtevrees.

Piemels houden mij eronder,
zonder pik voor mij geen porn;

zulk een vormvaste hoornprik
maakt van mij voor jou geen vrijer

of mans genoeg om het zonder s
en gespleten tong te stellen.

Ik tel af van één tot tien
waarna wij van elkaar niet weten

voor wij onszelf leren kennen
van afgehakte staart tot kop

en al heersen wij al eeuwen,
jij bent mij een hemel waard.

poëzietekening 22/06/2010 acg vianen

poëzietekening 22/06/2010 acg vianen

poëzietekening 22/06/2010 acg vianen

zwanenzang – charlotte driessen

Ik ben een hermelijn-
vlinder nu. Je zult het
niet geloven als ik zeg,
het hemelen heeft mij goed gedaan

Ik laat iemand fijn
nu voor mij de Parnassus bestijgen
Zie het als een zwanenzang
doch ik zal nimmer zwijgen

Ook al ben ik nu een hemeling- Ja,
dat ben ik.
Een onmenselijke, menselijke parelziekte, nu
de hermelijn, de zwaan, de hemeling

en ik ben zonder zorgen
ik hoef niet te zeggen: zal goed
voor mijn vrouw, zoon en dochter zorgen
want ik ben hecht getrouwd,

aan familie en vrienden geen gebrek
en ík zorg ervoor dat
niemand ooit het hemelvuur treffen zal

Huil maar zacht mijn
kind het mag
maar toon bij wijlen en keren ook een lach.

morgen – charlotte driessen

De ramen fluisteren
over hoe we binnenkwamen
Natgeregend, droogverteld

Een nostalgie over
uitgekamde haren
door tinteling bedwelmd

Waakzaam hou ik me vast
aan de linnen muur
ondergedompeld in
uitgewassen woorden

Morgen zonneschijn
Morgen hoop
Morgen liefde,
Eten, kleuren, spelen
en dan liefjes alles samen delen.

crisisvruchten – jacques santegu

Het geld is op
ronddolen maar
het plan is vierkant
geen café is dicht
volkswoede vertaald
in parkingopstand

Palletten tot de nok
roes genoeg in stock
vorkheftrucks staan stil
op een rijtje
fermenteren kisten citrusvruchten,
kolommen en kolonies twisten

De chef spreekt vreemde taal
en snijdt de verminderde lonen aan
tegen vitamine c tekort
staan we gelijk
bij Sjeik Lazarus
in het krijt

japanse strijdhaiku (vrije vertaling) – gronama

honda daihatsu
mitsubishi subaru
mazda suzuki

gazelle sparta
union merk te weinig
batavus simplex

tokyo kobe
yokohama kioto
osaka sendai

arnhem apeldoorn
leeuwarden madurodam
utrecht winschoten

de hond, maurice – gerardus

hoeveel mannen
zouden er al aan gedacht hebben
zich hebben afgevraagd
willen weten
puur nieuwsgierig
hoe het zou voelen
beesie om de slurf

en welk percentage daarvan
heeft de proef op de som genomen

zijn er mensen gesneuveld

is ‘t al verboden

en de vrouw roept go go

zonde, vormen van – gerardus

voetbal kijken
met een enorme harde

vuvuzuela wint – martin m aart de jong

Er zijn kleuren
die ergens goed voor zijn
wanneer je kleurenblind
bent wordt je nooit beter

daarom zeg ik blauw
groen geel paars
rood oranje

zodat het zwart
op wit
je stemming

“Hoe voel je je nou!”

toeter ik opa in zijn oor
tijdens de wedstrijd
Argentinië-Vuvuzuela,

de kleurklank
van een zwermend
kanon

een ring hoger
slaan ze
op pletterpetten

de hoop
op een betere
wereld stuk.

Vuvuzuela
wint op
strafschoppen.

je nekharen overeind – frido welker

stormen die gestreeld worden door libelle’s
slaan neer in een laatste zuchtje wind

als ik verder denk dan beelden
slaan de paarden harder op hol
en verder dan toen
met de indianen en Arendsoog en de slechteriken
die alleen maar stelen konden

als ik verder denk dan beelden
komt er opgelopen, eindelijk!, een model
dat einde van de catwalk overslaat

als ik verder denk dan beelden
slaat de zee neer in een zoute vlakte
met piramidevormige wolken erboven
die de maan prikken
en tegelijk dragen

behalve als er geen licht te spreiden is
want dan zijn de wolken stormen
stormen die snakken naar een streling
vertederend
onbaatzuchtig

ergens op zee – frido welker

het geraamte van mijn schip ligt onverstoorbaar
zonder planken te zijn, op het strand
voor de vuurtoren die zijn gebroken stralen
halve dagen
hele rondes
laat draaien om zijn as

en niemand kijkt nog naar de puinhopen
die de zee weleens achterlaat, het geraamte
dat mijn schip was, maar nu niet meer,
niet meer is dan aangespoeld,
nu niet meer zal varen

het geraamte zal drijven
want kan dat nog
maar niet langer dan een golfslag lang
wat ooit mijn schip was zal zinken zonder einde
dan hijg ik al
met mijn kop boven het schuim

ik wou dat ik weer een roeiboot had
maar één peddel had
en rondjes zou draaien
op de rug van één golf
en als deze zou stoppen
met alleen golven
ergens tussen eb en vloed
-dat de maan je aankijkt!-
ja, tussen eb en vloed, ergens daartussen
en je bootje ook ergens overal tussen
zo erg in het midden dat er geen kust meer is
en geen gebroken vuurtorens
of hun versplinterde gebroken stralen
zo erg in het midden dat de grenzen alleen nog ergens liggen
om je heen als golven, als verzopen licht

ik dacht alleen maar dat ik was – frido welker

ik dacht alleen maar dat ik was
opgehangen aan een lijntje
een wasknijper vergeten dus toen
de horizon over

ik dacht alleen maar dat ik was
een kado met pakpapier
en de inhoud alleen pakpapier
en hij die het kado gaf die zei:
“het gaat om het strikje”
en dat ik dacht:
“maar die was er het eerste af”

ik dacht alleen maar dat ik was
de rugleuning in een trein
aan beide kanten banken met mensen
dat ik was tussen twee ruggen in
maar geen idee had wie er op mij leunden
dat ik toch ging van hier
naar verder dan het eindstation