gieren – eelke van es
Het feit op zich
dat we een term als
taal gebruiken
zegt al genoeg, zegt hij,
wij moeten
essenties vermijden
het idee van een continuüm
Het feit op zich
dat we een term als
taal gebruiken
zegt al genoeg, zegt hij,
wij moeten
essenties vermijden
het idee van een continuüm
De pater blaast
de vlammen hoog.
Alle mannen ontwaken
onder zijn vaste adem.
De oudste jongen
trekt zijn bek open
en hij is gezien.
Nauwelijks waarneembare coulissen
verraden de zachtheid
van buutvrij,
het opgelucht ademhalen
tegen een muur,
een omgevallen boom.
Mij verscheen een meester
voor twaalf jaar en ouder.
Het sprak van gras van hier,
aldus sprak de meester.
Hij vervolgde peinzend,
Bergop is het vermenigvuldigen
van vaart een uitkomst.
Hij scheen mij aardig en gezond,
een man op vaste leeftijd met
een waterval rond zijn lippen.
Hij sprak nog lang van stroom en steen.
hoe dagen langer in mijn ogen hangen
nacht slaapt niet meer
langs het schuren van de wol van makke schapen
of misschien
omdat ik hier voor scheefgezakte huisjes
tussen opgegroeide bomen sta, het groen verteer
het land over mijn longen, lucht mijn adem heet
of misschien
omdat stilte wijdbeens staat in ver gedreven
handen in mijn natte haar, geen regen zicht beroert
dat alles wit verwondering en lager wolken
enkel en alleen daarom blijft licht
raakt een mens losgescheurd
of misschien is het gewenning
ik kan hier staan aan een bed
ontwaken, er is geen herkenning
alleen mijn neusvleugels trillen
bij de zoete geur van vrouwen
uit een te nauwe steeg
aan de rand van de wereld
dure mannen zullen verschieten
in dezelfde kleur rood
hokjes worden paleizen met draken
hard als steen met vochtige ogen
spuwend en leeg als een vogel
hakend aan zijde in toevallige wind
en terwijl de maan groeit
leun ik, luister veel, zeg weinig
ik weet nog hoe je kijkt met beurs gekleurde ogen
je leest de wereld uit de lucht, er zou een trein stilstaan
met bleek geslagen sterren op de wanden van mijn hart
-een Hauptstrasse om het woorden te geven-
in alle hoeken van de kamer schimpt het winter
er staat een kleine vrouw verminkt als moeder
ze wenkt van pijn bewust van tijd als honger
we doen haar drie gestolen jassen aan
in haar handen op de tafel klimt de toren
die zelfs zonder vuur het leven uit de zielen snijdt
twee staan verdronken achter, wijzen oorlog
een glazen bol schrijft namen een gezicht
de grens van lichaam overschreden, stijf van weten
ze sluiten naadloos aan op grond gericht
Eerst een teen, een kleine teen
(De hielen volgen later)
Een zucht, een tinteling en dan
ben ik er twee, draai ik me om,
Kijk ik mij aan, reik ik, raak
mijn gezicht, het haar erlangs
De teen die stapte
uit haar vel
Ik adem de kriebel die ik blaas
Ik daag de ogen uit met de
wenkbrauw opgetrokken en lach
de tranen van mijn gelaat
Ik ben er twee: spiegel en
gespiegelde, zusjes van mezelf
Ik praat mijn echo en weerkaats
het antwoord op geen vraag:
echo van een echo van een echo van een echo van een echo van een
Ik heb gesproken
Mijn adem holt achter het woord aan
mijn mond uit
Ik heb gesproken
Ik heb spijt
Ik denk misschien
waren alle oren bezig misschien
met iets anders
dan luisteren misschien,
waren alle ogen
van me afgekeerd
Maar ik heb gesproken
en mijn mond staat nog open
voor als het woord zich bedenkt
en terugkeert naar mijn tong
Ze had het zelf geloofd
Hardop gezegd in de trein
Om zich heen gekeken, gezien
dat niemand keek
- Niemand: twee vrouwen,
bejaarde man,
jongen met zijn oortjes is,
een vrouw zei tegen haar echtgenoot:
En als we thuis zijn, zet ik lekker
koffie voor je –
Haar keel geschraapt en
Gebloosd
Ze had het geloofd
Totdat
Haar vinger op de terugweg was
- van deurbel naar jaszak -
De deur werd ontsloten
Een geur voorzichtig voelde om de kier
Warmte over de drempel kroop
Een silhouet zijn donker gaf aan het licht
Dàt moment, precies dàt
moment en ze zag:
Lippenstift op een servet,
een vinger langs de onderrug,
thee zonder suiker,
een onderbroek met roze stippen en
een glas water naast het bed
Dàt moment en ze zag ook:
Alles van het knipperen met de ogen,
alles van de keren dat hij keek
en niet keek,
niet sprak
en niet luisterde
Alles van de adem tussen de woorden
die zei: Ik ben het niet
Een oude dame loopt met rek
naar bankje voor de hoogste flat
waarin zij ongetwijfeld woont.
Drie bankjes tonen water, met
ranke bloemen langs de rand en
kinderen die eendjes voeren.
Vijf beloeren verticale oord
dat staalhard tot in wolken reikt
waardoor de rest zo nietig lijkt.
Daarop zit zij zeer klein te zijn
kijkt naar het kille van haar huis
in schril contrast met vroeger thuis.
Ver van het plebs staat in het groen
goed verborgen achter bomen
een huis gebouwd van heel veel poen
onder zijn munten weg te dromen.
Dichtbij het volk staan in het grijs
goed zichtbaar in het openbaar
de bouwsels met de laagste prijs
rauw vloekend voor de massa’s klaar.
Vader achter de stenen
liggen daar de sigaretten
kloppen de nummers op het huis
dat door een dichter was beschreven
Aan de oever zat je vaak
de zomer uit het water te hengelen
verpakte haar in krantenpapier
om daarna bij je kinderen te leggen
Je kwam en ging
metselde het muurtje hoger
en las de woorden die in de lege kamer
werden achtergelaten
Zo vlak en wit
de muur het papier
met de letter breekt
ontstaat het venster
zo staar ik naar buiten
het woord, het gat
van de nacht, het
licht van de dag in
met handen die nog
geen handen zijn
en te korte armen
en ogen die kijken
zonder te zien.
Zo vlak en wit
moet het gegaan zijn.
Ik heb het bed,
de nachtkastjes met links
de jachtgeweren en
rechts het rieten mandje
met klapoorbellen en
verbanden voor
een bloedneus, nooit
anders kunnen duiden,
ergens
in deze abstractie
Zo vlak en wit
de muren strak
spraken zij
moderne flat
het ledikant
en de sprei
de wieg en
de kier in
de sluier.
Ze staan naast elkaar, het erf
en de opstallen zwevend achter hen
ze kijken in de verte, maar bemerken niets
zij één hand in het schort, de andere
leunend tegen een deur
van een al jaren wegzakkend bedrijf
hij draagt een pet van een handel
ergens uit de wereld, maar het voldoet
treurig is het niet
hij spreekt haar aan als een jong meisje
ze leven nog tussen alle plannen in
het eerste begin
ongemerkt weggeraakt
ze groeten kort langs mij heen
en herkennen me, een beeld
dat al jaren in hen huist.
daarna weer de verte.
Fonkelend nieuw in de stad
houd ik de woorden van een wijsgeer
onder de arm en citeer
maar de stilte is er niet
geen flard van de tijd in de hand
leegte vul ik met hevige onzekerheid
ik leer met woorden een betoog te houden
maar in debat stemmen we nooit overeen
in steeds andere taal zeg ik wat onbegrepen blijft
zonder taal kom jij dichterbij
en als je vertrekt, houd ik de stof
van jouw jas klem tussen mijn vingers
met een nieuw seizoen vangt
het stamelen aan
als stilte invalt ga ik spreken.
in het duizendbomenwoud
heb ik een schors gevonden
de boom was eruit
ik trok haar aan, ben gaan staan
zoals bomen doen
mijn voeten vergroeiden met de aarde
armen vertakten zich, handen werden groen
met gevoel in duizend vingers
proefde ik wind en water
vervuld tot in mijn kruin
schilderde ik schaduwen voor later
op het speelse gras
vogels vlijden zich in mijn armen
en met duizend ogen zag ik dat het goed was
z’n broek op half elf
in de ene hand een blikje
en andere een sigaret
lult hij een eind aan de brij
van men, fuck, en veel vet
aan zijn lippen hangt
een jonge brunette
die breezend op
geixte benen balanceert
haar geringde navel
en veevorm van de bilnaad
zijn door tattoos opgewaardeerd
hij noemt haar slet
ijskoude wind roffelt op de luiken
van de laatste winkel, gesloten
voor alweer zeven dagen
een oude vrouw lijkt met het desolate
landschap te vervagen
sneeuw stuift in haar marmer gelaat
geen spoor van leven in de ogen
het harde geknars van de trein
die het einde van de wereld verlaat
laat haar koud, zij weet van sterven
Gdomsk verdwijnt langzaam van de kaart
wat moet dat moet, zeggen de grijzen
uit dit kind- en godverlaten oord
wanneer ze na een witte week
nog steeds geen trein hebben gehoord
bungelt aan de deur van de winkel
een wolvenklauw aan sisalkoord
Op een goed moment
zegt hij dat zijn schoenen
veel hebben moeten dragen.
Voor hem staat slim
gelijk aan stom plus
een bos wortels.
Voor deze jongen is god diep vallen
en blijven hangen in gewauwel.
Zijn naam verzint hij niet zelf,
zo wordt men nu eenmaal
aangesproken op eigen gedrag.
Met de rug recht kan hij zich
prima voorstellen hoe elke
ademtocht ontploft in
zware verre landen.
Ik zocht mijn heil in de mensen om mij heen.
Contactpersonen dronken zich lam,
ze vraten verborgen aan lange tafels,
de staarten stekelig en kwaad.
Het personeel brak aan
met mosterd achter de nagels,
de ter dood gebrachte vlezen
lillend op een schoon getekend bord.
Tegen het dessert had iedereen
vervoer naar huis allang geregeld.
Een schaap zeurt zachtjes
of het binnen mag komen,
maar ik slaap en op dit uur
is mijn vacht nog niet helder.
Met andere woorden zeggen wij
voor deze dingen niet geboren te zijn.
In zomerwijsjes begint de dag te wellen.
Vogelnestjes knapperen vrolijk. Muis loert.
Jagers bladeren door roodborstjes
die zich kapot vliegen in de haag.
Dit is het graaien van klokjes in de morgen,
geef mij een hond die de tijd ophaalt.
of acteurs acteren is onbekend
maar laten we een zaal insluipen
als de film afgelopen is
ruis in zwart witte vormen
brom zonder muziek naakt
pulk je kleren stamelend
schaamteloos naadloos uit
in een lege zaal onder kunstlicht
Lieve lezer
Het is waar: lang geleden
heb ik mijn ziel aan de duivel verkocht
Sindsdien zit ik gevangen
achter dit bureau,
word ik dag en nacht bezocht
door inspiratie
Ik dank mijn literaire zegetocht
aan woorden die niet werkelijk van mij zijn,
die, net als zuurstof met een ademtocht,
van buiten me binnenkomen
De duivel zegt: als jij iemand vindt
die van je houdt om jou,
niet om wat, omdat je schrijft
dan ben je vrij
Wie zal me redden?
Jij?
Lijden? Ja, allemaal
Mijn grootmoeder in de woonkamer vooral
’s nachts wordt ze daar bezocht door razende nachtvlinders
Het is precies stuifmeel dat ze achterlaten
Dan as dat valt in haar lege whiskyglas
Overdag wil ze met rust gelaten worden
Maar daar zijn haar kleindochters:
Deze blijft beneden om geld te bedelen
De andere gaat naar boven om broches te stelen
Maar alles is weg, wat overblijft is tin en Keltisch of verzonnen.
Wie heb je liever?
Diegene die beneden blijft en grote borsten heeft?
Of de andere? Dat ben ik, ik vind tin en ik schrijf
Mijn grootmoeder geeft mijn nicht geld om een stola te kopen
Een stola van vossenbont om op een boerenbal uit de toon te vallen
Maar vergeet niet dat je spaniël nieuwe hartkleppen nodig heeft
Ze vergeet het en de spaniël sterft, ze vergeet naar het bal te gaan en
Iemand anders valt uit de toon, zonder bont, gewoon door Ida te zijn
Drankzuchtige, nymfomane Ida met de scheve neus en het vettige voorhoofd
Geef haar toch een pony en een neuscorrectie!
Hou je nog altijd meer van mijn nicht?
Typisch!
Het is mijn schuld, ik had over haar borsten moeten zwijgen
Maar het is te laat, ik heb ze vermeld en ze zijn stevig
Zie mij hier nu staan: ik val uit de toon in mijn eigen gedicht.
Er zijn vragen die ik haar niet durf te stellen
Gelukkig is er een indiscrete magazijnier aanwezig
Ik denk dat het haar broer is
Hij leunt tegen een doos, er zit een verwarmingsketel in
Niemand heeft die ketel besteld
Een kat die voor twee verwerpelijke mensenkinderen ‘Blanche’ heet
Likt een spreeuwenlever van het terras
Het zijn de kinderen die de spreeuw hebben vermoord
Maar niet voor de kat hebben ze de spreeuw van het dak geschoten
Hun grootvader is trots, ze krijgen geld om kauwgom en lijm te kopen
Hij is niet naïef, hij weet ook wel dat ze niet zullen knutselen
Dat alles moet verbrokkelen en dat iedereen wrokkig is.
De magazijnier zegt dat mijn moeder die ketel moet kopen
Het is haar broer niet en wanneer hij weg is blijkt de doos leeg te zijn
Hij leunde zo overtuigend, maar niemand is geschokt en
De doos wordt een plaats om veilig te bevallen
Veilig bevalt Blanche van drie dode kittens, de vierde piept
Niet lang, lijm hoopt zich op in haar longen.
Bellen worden geblazen tot ’s avonds laat en
Later wordt er gedronken op de lege plek die de ketel inneemt
Mijn moeder morst mosterd en wijn en lacht alsof er niets te lachen valt
Grootvader is niet trots, hij huivert
De verwerpelijke mensenkinderen onderwerpen hem aan een obscene choreografie, ze nemen zijn handen, ze strelen hun borsten
Nu hangen ze vast en is het bedtijd.
Ik mag niet naar de maan
Omdat mijn neustussenschot scheef staat
Dus blijf ik op de aarde en praat ik nasaal
Over de duinen die ik niet op mijn duimpje ken
Over de ongelukkig getrouwde mannen
In duinpannen steken ze hun handen in de holen en
Strelen vachtloze beesten terwijl ze op hun ouders kauwen.
Zonder korzeligheid laat ik onderdelen van
Verwarmingssystemen aan mij voorbij gaan
In de pauze eten meutes vrouwen graankoekjes die kleiner zijn
Dan de speelgoedspaanders van hun griezelig brave kinderen
Mannen drinken koffie en proberen zich uit een grap te redden
Boven de lavabo kerft een onbehouwen blondine een groepsnaam in haar arm
Ik ken die groep, zeg ik, maar ze gelooft me niet en
Vraagt of ik huisdieren heb, maar ze laat me niet antwoorden en
Vertelt dat ze een papegaai met darmkolieken heeft.
Gisternacht ben ik een astronaut geweest
Mijn raket verloor zijn bouten en ik belandde op de verkeerde maan
Er stond een frietkraam en een man die op de oude kruisboogschutter leek
Moedigde een zoogdier aan, hij wilde dat ze vlugger perste.
ik zie objecten in diameter groter dan
het dopje van mijn neusdruppels en
ik voel ontmoediging in mijn zus, nu al
het is nog maar veertien uur
we hebben nog minstens acht uren socialisatie voor de boeg
gelukkig zijn er geen fotografen, noch dokters die
sneller diagnosticeren dan hun schaduwen, psychiaters
nemen onze maten, mijn zus past in een medium
maar ik glip weg en keer terug naar de kust.
Altijd de kust: begaafde dichters, zondagsschilders, pubers, clochards,
Wafelbakkers, nymfomane tantes, ik ben ze allemaal geweest
Ze zijn mij voor geweest, de trofeelabradors van surfjongens knagen
Aan wrakken, scheepswrakken vooral, niemand zegt er iets van
Op een golfbreker lees ik het opnieuw
Bovenstaande regels, hoofdstukken van een roman die
Van plan was geniaal te zijn, ik was van plan geslaagd te zijn
Volgens de strenge criteria van een oude kruisboogschutter ben ik gebuisd
Het is onmogelijk om meer gebuisd te zijn dan dit hier vandaag.
Dan knaagt de middag aan mijn besluit dat altijd wankel was
Ik moet terug naar mijn zus, ik moet haar waarschuwen
Ik moet de waarschuwing vermommen (als flauwe grap?)
Zompige poten krabben de naden van mijn jas
Tot het geen jas meer is blijf ik zitten
De zon gaat onder voor twee huichelende pubers, een beetje voor mij
Maar toch in de eerste plaats voor de wafelbakker die zich gisteren van dochter vergiste, het doet zo´n pijn deze zonde te zijn.
Waar zijn ze?
Ik wil ze exploiteren
De oom die een boemanmasker droeg
Het was onschuldig
De vader die in onze pesterige rijmpjes ‘Putifar’ heette
Ik heb hem nooit gehaat
Hij ging bijna naar de hemel toen hij daar stond op die brug.
En toch, vandaag opnieuw, ben ik somber
Mijn spot is weg, ik ben stom
De oude kruisboogschutter zegt dat de titel al bestaat
De titel van mijn volgende verhaal
Het is al geschreven door een betere zelf
In een woestijn waar coyotes in goedkope pyjama’s rondwaren
Het zijn pubers die zich vervelen:
Trekken ze de coyotes pyjama’s aan of
Doen ze alsof ze vermenselijkte coyotes zijn?
Ik kan het niet zien, ik heb er het raden naar
Ik gok op het laatste.
Alles is een kans
Om een fatale weg in te slaan en
Vermoord te worden door een gefrustreerde priester
Door een bipolaire nachtverpleger die liever een anorectische jongen van
Dertien met een pony van een Zweeds meisje van tien wilde wurgen
Een pony niet om te berijden, maar haar dat je bovenste oogleden irriteert
In een spookkot naast een fluorescerend skelet
Ben ik de verschrikking geweest van mijn leeftijdsgenoten
Het fluorescerend skelet loeide: Woehaha! Woehaha! en
Ik iets wat ongeveer hetzelfde betekende, maar minder triomfantelijk.