stoer – cilja zuyderwyk

wanneer ze in de keuken op hem wacht
tekent ze omgewaaide bomen na een storm
volgelopen gangboorden,
waterspetters op de stalen roef

ziet ze haar vader
op het schip onverschrokken
het houten roer tussen zijn handen

ruikt ze dieselolie
ziet hem in de weer met lucifers
om de gloeikop aan te steken

hoort hem vloeken als de lucifer
blijkt afgebrand

stiekem maakt ze met het potlood een uitstapje
over het plastic tafelkleed
draait rondjes met een rode stift
die mooi kleurt bij de afgesleten rozen

haar moeder ziet het niet
ze braadt een kip voor vader

voorjaarsontbijt – cilja zuyderwyk

een natte vloer, de geur van hyacinten
de morgen dient zich aan met kleine zakjes thee
en uitgelopen bloesemtakken op de tafel

wat zijn we stil, we luisteren naar de merel
de zingende koolmees verder weg

je zegt een enkel woord en legt het op een
schaaltje naast het ei en het geroosterd brood

over dood spreken we niet we smeren onze
boterham met pindakaas en honing

gezond zeg je en ik beaam het kinderlijk
op een manier die wij alleen begrijpen

kinderliedje – cilja zuyderwyk

Je schrijft twee woorden op, ik ken het lied
die eerste twee akkoorden brengen mij
op schommels, er gloren appelbomen

een wit huis, kinderkoren, muizen aan de kaas
jouw stem die nu slechts kraakt
was toen ook broos
zo ingetogen als een stadse

je schrijft drie woorden op, ik zing het lied
met blozende herinneringen, jouw ogen
spiegelen de maan voor het slapen gaan
de handen zijn gevouwen, want je bidt

dat er geen stormen komen, weet je nog
maar ach ze kwamen toch en bliezen al
jouw moederdromen ruw aan gort

epigram 12 – gerardus

op

   - per
      de
        pop -

poëzietekening – 31/03/09 – a.c.g. vianen (komrij vs. mondriaan)

poëzietekening - 31/03/09 - a.c.g. vianen (komrij vs. mondriaan)

poëzietekening - 31/03/09 - a.c.g. vianen (komrij vs. mondriaan)

Een bewerking van het gedicht “De redding” van Gerrit Komrij zoals verschenen in:
Capriccio – de mooiste liefdesgedichten, pg 39
2002, Uitgeverij Thomas Rap, Amsterdam

er ritselde iets door de slaapkamer – joris miedema

Pa was gebeten door een slang
die niet bestond
we zochten op internet naar
slangen die niet bestonden
en google zei
je moet niet bang zijn
voor het ontbreken van ledematen

toen vader begon te vervellen
zijn arm bij het doortrekken van de wc
was kwijtgeraakt
kwam de dokter
hij schreef hem pillen voor tegen stress
en bracht zijn huid weer aan
met een nietmachine

hij lag die dag op bed
moeder hield zijn laatste arm
op de juiste plaats en ik zijn benen
we fluisterde in de gaatjes
waar zijn oren zaten dat de pijn loog
en de dood niets anders was
dan een masker dat je af kon graaien

er ritselde iets door de slaapkamer

het jongetje uit de schoolmelk – joris miedema

het jongetje naast me in de klas
komt uit de schoolmelk
zijn gezicht en handen blijven nat

ik probeer me altijd
op de droge hoekjes
rond zijn mond te richten

hij tekent een balk
op een leeg vel papier
en zegt

dit is papa in ons oude huis
hij hout van mij
van mama mag ik een keer per maand
het nummer op zijn steen bellen

matrjoschka’s huis – joris miedema

niemand maakt meer ruzie
met het enige huis
dat nog opstandig
in zijn gevels staat
glazig uit zijn lood kijkt
over een plein
van kruit en puin

het lijkt op een gaard
want er liggen mannen
en zij doen de planten na
hoeveel tuin moet een
mens nog worden

de bomen marcheren
als Matrjoschka’s
de verte dichterbij
soms schommelen of vallen ze
als te dunne planken
voor een massagraf

verrevader – joris miedema

vader was doorzichtig
hij diende een tijd
als verrekijker

toen hij thuis kwam
was moeder hem vaak kwijt
ze maakte een masker van ijs
zodat wij hem
ook konden zien

vaak zat hij in de stoel
sneeuw lag op zijn wangen
en voedselpakketten
hingen stil
in zijn gezicht

op tafel stond
een glas wiskey
al jaren
dreef daar zijn lach in

een hoofd vol honing – joris miedema

ik ben vier muren begonnen
contouren van een korf
staan nog in mijn hoofd

noem het huis
dat vol is van zichzelf
slik glas
om helder te blijven

ik lieg een vriendin
zet haar keurig om mij heen
en als zij bloemen
met mij praat
komen de bijen vanzelf

dit bestaan – bennie spekken

wat is er toch
met deze bank
dat ik steeds ver
zit geen verstand
houding kan vinden
met dit bestaan
waarin ik wakker
aan het worden ben

en wat doet die vrouw
vriendin moeder
ondeugend kind
(geen naam past haar)

ze trekt het kleed
onder mijn voeten
recht dit bestaan
nog meer in twijfel

zonsondergang – bennie spekken

de zon zakt in
de zee roept
mijn geliefde op
het beslapen bed

zij zit daar
met haar hand
spiegel boven
haar hoofd

kleur te geven
aan haar leven
en ziet daarin
het avondrood

zich opmakend
voor de blinde
begerige blikken
van de nacht

uitgestorven – jan doornbos

Dat elke dag wat leger wordt, vooruit
en dat tegelijkertijd je polen smelten -
hetgeen je nu nog wint, begint zich
morgen te verliezen en de tijd kruipt o

zo stoïcijns vooruit, hij rekt en strekt
zijn gladde rupsenlijf tot het dak
begint te lekken en de gevels scheuren,
tot seizoenen overhoop naar god

weet waar vertrekken, tot je onverhoeds
een woord verliest zoals calamiteit
omdat je mededogen slijt en pijn zich aan
je opdringt tot je niet meer zonder kunt -

Vooruit. Maar dat de morgen op een dag
geluidloos, nors verstrijken zou, de huid
van je huis onberoerd, ontdaan van
dons en zachte prietpraat van geliefden -

droomdievegge – jan doornbos

Dichters weten zelf niet wat ze zeggen:
in de donkere dagen is ze bij duende,
de danspassen kent ze, de koninklijke weg
naar het onderbewuste, de schreeuw van

een volk tussen hamer en heks. Hier is
haar publiek nog onschuldig, de mens
in slapende toestand te wiegen, bemind
te worden is dansen met je ziel.

Het was lang een gerucht van macht en
verleiding, slechts in een wit hemd gekleed.
Ze wil er mooi uitzien, sensueel, virtuoos,
als een schreeuw van het leven.

Wat drijft de mens? De toekomst van een
illusie, een verborgen kunstenaar.
De droom is de beschermer van de slaap,
jij diepe rode sjansprinses.

stormschade – jan doornbos

Er zit een kind in mij dat verder wil,
de duinen in, naar zee, een roekeloze man
in spe die de gauwdief die jouw liefde
telkens weer met vuile voeten treedt
het liefste van ons af wil slaan.

In jou zit een meisje dat wiebelt
op haar stoel, dan naar links en dan
naar rechts, dat kruimels morst, en
een vrouw die weegt en niet meer vraagt
wie strijkt de rimpels uit mijn ziel.

Wij kunnen ons niet helpen, onze blikken,
onze handen, onze woorden zijn we kwijt
en andere bestaan er niet. Aan het ontbijt
staat tussen ons de zwarte fles
die we niet meer kunnen sluiten.

jouw geld is mijn liefde – frido welker

geef mij een miljoen
en ik zal jou opkopen
dan heb ik ook de rest
van jou
schat

niet alleen een beeld
ook iets voor naast me in bed
of bij het ontbijt, samen met de ochtendkrant
misschien zelfs als ik weer thuis ben, naast de theepot
ik drink gulzig van je
liefde

we trekken niet samen de wereld in
ik ga alleen op voettocht
een wereldrijk veroveren
dan is er plek zat voor mij om
een paradijs te bouwen
waar ook jij nog,
misschien,
bij past

natuurlijk – frido welker

er waaiden wolken
de maan was bijna rond
en stond dichtbij
dat leek zo

mensen gingen vandaag weer
uit wandelen, dat kon
tot de wind op stak

nu is de zon al gezakt
samen met de maan
de wind is nog niet gaan liggen
maar de mensen wel
thuis

lentedag – frido welker

de lucht is ver weg
maar blauw
dat maakt veel goed

de wind blaast wat koel
de wolken die er niet zijn
als ik mijn mond open
slik ik geluk
het is als nicotine
alleen iets beter

(de eerste lentedag
doet me denken aan die van voorgaande jaren
blauw, wind en wat warmte)

Hanz Mirck VS. 8 x De Windroos

RECENSIE /. de windroos serie najaar 2007 en najaar 2008

Een tijdje geleden verscheen een nieuw viertal in de Windroos serie:
Wilma van den Akker – Nageljongenstraat
Gerard B. Berends – Een olifant op het strand
Fred Bloemink – Landtong
Sandra Burgers – Ongewerveld

En een jaar eerder verschenen:
Jasoro – Ashoop / Versvuur
Marco Nijmeijer – Een bed van boomkruinen en vogels
Hedwig Selles – IJzerbijt
Joanna Werners – Sluimerende schaduwen

Ik herinner me een artikel van good old Godfried Bomans die het examen opstel-schrijven bij Nederlands besprak, waar de leerlingen konden kiezen uit een aantal onderwerpen. Bomans koos ze allemaal tegelijk. Hij schreef een briljant opstel. Welnu, laten we zijn voorbeeld volgen.

Wilma van den Akker meent: ‘regels zijn erom vanaf te wijken’. Dat belooft veel origineels.

Hij ligt naast mijn bed Lucebert
even dik als Celan maar zoveel
speelser een scheef oog droge
inktspatten en streken

Op meer dan een zucht betrapt
het rolt en torst en de lucht
is hol van steenhouwers
en namen voor woorden

Zijn taal laait onnavolg-
baar, niet te strikken
maar levend en jong
al werd hij oud en gestorven

Tja, is dit een brevet van onvermogen? Celan en Lucebert vergelijken op speelsheid? Weleens gehoord van mystiek? En Lucebert onnavolgbaar noemen is wel erg gemakkelijk. En de slotzin, met die syntactische uitglijder, is dat een grap? En vooral: waarnaar verwijst ‘het’ in regel zes? In het eerste gedicht van de bundel (Zuster) gaat het over hoofddoeken: ‘Haal ik de sluier weg / dan gaat het rollen //Raak ik mijn hoofd kwijt / hol ik achter mijn hart aan’. Dat is een treffende observatie. Van den Akker heeft wel iets te melden, maar ze schrijft het nog iets te snel op.

Berends schreef al eerder voor kinderen. Zijn gedichten zijn dan ook veelzeggend zonder ingewikkeld te zijn:

najaar

nu de zon zich geen zomer weet
blijft kou over en voor het oprapen
god lacht zich stiekem kaal

nu de zon nee zwijg over de zon
zwijg over de woorden die al vroeg
in de middag en soms nog eerder

waaruit lange schaduwen zeg je
wat je zegt lange schaduwen
leggen we rond ons van geluk

Ik moet denken aan Hans Andreus, en ik vind die bewuste foutieve samentrekkingen (‘blijft kou over en voor het oprapen’) die iets naiefs geven aan de toon geen originele manier. Maar dat taalbewustzijn wat in het laatste terzine samenvalt met de betekenis van het gedicht: de conversatie IS het geluk en ook de eindigheid ervan, dat is trefzeker. Ik hoop dat zijn tweede bundel minder klein zal zijn, en Berends het grote gebaar zal durven maken. Want dat kan hij.
Bloemink… schrijft over bloemetjes:

Zomerdijk

Aan madeliefjeslippen dacht
ik naast haar neergesmeten fiets,
lichaam groot van hitte.
Het schip waar ik naar keek
voer de rivier niet af,
lag stil. Geen stijger te

zien die de stroom brak.
Grutto’s riepen de elektrisch
aangedreven man, zijn vraag
rolde de zomerdijk af:
waar of ik vandaan kwam.
Van haar zei ik, van haar.

Bloemink weet steeds een mystrieuze sfeer te scheppen, met in diverse gedichten terugkerende elementen. Een om duistere redenen stilligend schip, een vrouw die weg is, een man die elektrisch aangedreven (jazeker is dat een woordspel met de rivier, echt wel!) iets vraagt. Een een niet bijster originele vondst: madeliefjeslippen. Ik lees het maar word niet geprikkeld dit raadsel op te lossen, ik benader het als een vreemd plaatje in een tijdschift. Zou dat zijn bedoeling zijn?
Sandra Burgers debuteert echt in deze reeks. Ze schrijft over het Zeeuwse landschap, portretteert mensen en brengt ‘erotiek met een knipoog’

Frrr, frrr, frrr…

Je verzaden wil ik
met de nog volop helder goudgele kleur
van onze vorige oogst toen ik van een korenlengte
naar je opkeek
en jij de halmen uit mijn gezicht dorste

het zwoegmalen van je bloed wil ik horen
de imposante rotgang, het reusachtig lage kreunen
dat zich uiteindelijk in de hoge giering voltrekt:
frrr, frrr, frrr…

de toon die me doet krimpen als de wind
die nodig was, zoals vandaag, voor het enorme koor
ontvelde gerst
dat me met zwellende stem toezong
onder de symphonie van de machtige molen.

Mooi hoe alles hier samenkomt: het landschap, de erotiek, hier gelukkig geen knipoog, maar een sterk woordspel dat steeds meer lading en betekenis krijgt. Veel in de bundel is nog niet echt rijp maar dit is al een mooie oogst.

Jasoro blijkt een vrouw uit Gent te zijn. Achterop de bundel het schijnbaar belangrijkste gedicht:

Grensvuur

De wachters staan opgesteld
volgens een plan dat niemand kent
je wordt beslopen als een prooi

ze ruiken je bloeddorstig
mijn vriend, waar ben je?
De poorten van de hel wijden

Kleef je klamme angst aan
mijn ribben, zoen strijdlusig
mijn blinde woede stil

Hier wordt een spannend spel gespeeld. Wie is er bloeddorstig? En waarom is de ‘ik’, die misschien een vrouw is, woedend? Op wie? In het openingsgedicht lezen we dat de ‘ik’ seks heeft met een man die in Congo is. Ze wil hem blijkbaar een veilig thuis geven. Het interessante aan ‘Grensvuur’ is dat ze het omdraait: ze laat hem haar kalmeren. Dat ‘mijn vriend’ is dus ook ironisch. Vaak bij geëngageerde poëzie is het de vraag of de dichter ook met een minder heftig onderwerp indruk zou maken, maar dit gedicht laat zien dat ze echt schrijven kan.

Marco Nijmeijer maakt gebruik van absurde logica in zijn veelal titelloze gedichten:

Jij woont aan een koude zee.
Ik woon aan een warme zee.

Een schip is blauw op koud water
en rood op water bij mij.

Vogels vliegen van warm naar koud
uit hun vleugels valt een belofte.

Soms een gitaar, soms een oor
soms wat tussen hen beiden is.

Soms valt er een bontjas.
Ik heb een nieuwe jas, schrijf je.

Je zee is een blad
mijn zee leest je brief.

Mijn oren lopen vol
de zee sluit mijn ogen.

De boot wordt koud en zinkt
aan dek verschijnen dode matrozen.

Je schrijft: ik heb de vogels gezien
hun ene oog was rood, hun andere blauw.

Het water in mijn handen en voeten weet niet
welke kleur te kiezen.

Mooi dat je aan het slot niet weet over wiens zee we spreken. Wel jammer van de inconsequente interpunctie. Veel gedichten in de bundel zijn wat zwak: ‘Ik gooi een bal op / het is een toverbal (…) Uit grijs plafond valt regen / van hand naar hand groeit regenboog.’ maar soms weet hij met die consequent volgehouden logica een mooie toon te vinden, een naief soort filosofie, met een gelaten toon. Daar staat meer dan er staat, dat schept diepte.

Over de gedichten van Hedwig Selles wordt gezegd: ‘de lezer wordt ondergedompeld in een particuliere sfeer, die bij nader inzien algemeen menselijk is’. Tja, dat is een gemeenplaats. Lezen we het eerste gedicht:

Kings Cross / St Pancras Station

‘I Kept my eyes to myself’

ik vond het een goede zin en
aaide hem zachtjes over zijn rug,
over zijn hoofd daar hield hij niet van

‘ik wil even alleen zijn’
hij kon zijn ogen niet uitleggen
ze zaten vast in zijn gezicht, fluisterde hij
‘sixpense to last’,
zijn veren roken naar nat
en naar glans, terwijl ik in
zijn zakken zocht

deze blijft, wist ik
alsof ik iets
bij toeval terug gevonden had

Veel ‘ik’ en veel overbodigs, maar wel spannend, wat we gaandeweg over die ‘hij’ te weten komen. En dan ten slotte dat hervinden van iets nieuws. Dat is een cliché. Maar wel goed ingezet. Als Sellens nou eens ging schrijven zonder algemeen menselijk te willen zijn, maar gewoon die vervreemding toeliet, zou dit een veelbelovend debuut kunnen zijn.

Joanna Werners schreef, aldus de flaptekst van ‘Sluimerende schadauwen’, als eerste Surinaamse over homoseksualiteit. Ze doet dat suggestief, zintuigelijk en onbeschaamd.

Zachtjes bijten

zachtjes bijten mijn kokoswitte tanden
in jouw pikin figa handen
mijn fayalobi tong krult uit mijn mond
op jouw kaneelappel huid
likt op jouw vocht
de smaak van Pina Colada
mijn gezicht nestelt
tussen jouw benen
de geur van manja papaja

vandaag baad ik mij niet

Natuurlijk valt er wat af te dingen op het Nederlands in dit gedicht, waar een goede redacteur wel wat aan had mogen bijsturen. En erg origineel is het ook niet. Maar die pretentie heeft het volgens mij ook niet: hier is iemand aan het woord die zich echt weet uit te drukken, en dat is alles wat voor haar telt.

Al met al weer veel nieuwe kansen voor nieuwe talenten. Aan de ene kant kun je zeggen dat het nogal veilig is om in deze serie, aanvankelijk bedoeld voor debuten, vooral ruimte te bieden aan mensen die al eerder publiceerden, aan de andere kant is het niveau ook weer niet zo hoog dat deze namen niet passen in de reeks. Zo blijft de Windroos een belangrijk podium voor opkomend talent, en dat moeten we koesteren, in deze tijden van crisis.

Hanz Mirck

grensman – lammert voos

mijn ene taal was
dialect en de andere andersom
en de rode kever 1300 was grens
en de blokjesplaid achterin niemandsland;
bekeek ik de wereld vanonder
het authentieke wedstrijdbiljart
in opoe’s café op geschaafde knieën
in de geur van doorgekookte spruitjes
twee werelden:
de ene opa vernietigde zichzelf met drank
en de andere werkte zich dood
en ze zaten beiden in mij, wist ik

in de sloot achter school
zocht ik salamanders
rende dansend over het trilveen
met natte voeten en werd ik
nooit gekozen bij de potjes voetbal
verplaatste ik mij onzichtbaar
misselijk van angst
voor jongens met harde stemmen
en sta ik niet aan, maar op de zijlijn
met een troosteloos vlaggetje in mijn hand
schreeuw ik vanuit veilige haven:
zie mij en aanschouw mij! hier ben ik! Uw grensman!
en hunker ik evengoed naar stilte…

omslag – lammert voos

Roestbruin, Pruisisch blauw, robijnrood,
purperpaars, inktzwart;
zo mooi fleurig somber.

Ik ben een man met een opschrijfboekje geworden.

epigram 11 – gerardus

vroeger waren

ze beter

de hoeren die tulpen

uit amsterdam turkije

Aforisme van de week

Machtsvertoon: daar sta ik boven

Peter de Groot

houd me ten goede – cartouche

Nu het licht stilaan lengt
en de hemel blozend blauwt
zie ik meer, steeds meer
duivengrijs

opduiken rondom mij
dat geeft lucht aan tijden
zwaar cholerisch van
depressie

dacht ik
lang niet gek
wat witkopgrijs

iemand als wij – cartouche

is al met al
van duytschen bloed
in zekere zin

povere poëet
praatgraag dweper

dichter denker
strever zwever

desondanks
niet te min

de ware
armzalige

beulsknecht
en rechter
ineen

- VERTALING -

UNSER EINER – CARTOUCHE

alles in allem
Deutschen Blutes
in gewissem Sinne

Elender Poet
schwatzhaft schwärmend

Dichter Denker
schwach und schwebend

Denke doch
trotzdem

Der richtige
armselige

Henker
und Richter
auf einen Hieb

afhechting – sunshine tenochtithlan

(De Casanova Concordantie IV)

Als jij,
gestrikt op het droge af,
naar netten boeten vist;
zo hang je nooit aan zee.

Als jij,
door zwart zaad bezeten,
je akkers streven laat;
zo raak je niet verstrooid.

Als jij,
tot bloedens toe gerouwd,
onderhuids in roes vervalt;
zo blijf je je verwonderen.

Wat waarheid met de leugen doet,
valt niet te ontkennen.

Het claimt het zout der aarde,
aan jou de grond waarop.

de beuk – sunshine tenochtithlan

Vandaag gepland.

Zonnig was het;
vader leek wel
opgeruimd.

In een handomdraai
vandaag geplant.

Voor de vuist weg,
vol in mijn gezicht.

Bladstil
lag ik.

Bloedeerlijk
de takkezooi.

denkmal – sunshine tenochtithlan

Ochtendlijk tussen minuten
het vertrouwde koel als nachtelijke rest
ontvelt geluid aan duister geklonken
licht een schaafvermoeden in de verte

middag maakt geregeld
ritmes bij gebleven vochtigheid veranderen
in wolkjesruis strijkt wijkend licht in vouwen
gedrukt ingevingsleed een naakt onrustig

avond glimlacht nacht
voor dauw in touw smelt een bezig tot de
lage brom gewoon nog steeds niet thuis
gebracht onveranderlijk

net als toen

elke dag nieuwe
onschuldige gedachten

vandaag maar even over.

song van snorrebaard – alexander baneman

een gruweldicht

langs de paden van verdorde vogeltjes met houten poten
wacht ik in de pijnboom op pleuris voor pokkenkauwen
met git in de kop en zwaarden van zwavel in scheepsmondjes
om te roeren de stofzuiger met piepende propwieltjes

het bed van stenen is de laatste
rustplaats van haren uit het hoofd
en mokkende murmels vocht van
een veer uit dronken dorgrond

plankjes knakken onder de gele borstjes vandaan
met dank aan de serieuze stenen van de zwarte
grollen in het rokende roergebied onder bomen
van schnitzels als schreeuwende wonden

het bed van stenen is de laatste
rustplaats van haren uit het hoofd
en mokkende murmels vocht van
een veer uit dronken dorgrond

schellen in de gang en schuifels achter de deur
zachte wolken van duistere pakkingen in mannetjes
van dentaalwit boven de daken git gescheurd wol
uit oma’s winkeltje achter de schelmen stammen

het bed van stenen is de laatste
rustplaats van haren uit het hoofd
en mokkende murmels vocht van
een veer uit dronken dorgrond

ik dacht aan de boom en zag haar vallen met het
metaal en geel als inhoud voor een maandstond
aan vallende bloedziektes zo met van die trillingen
varkensvlees op de grote korrel de muren spuwden

het bed van stenen is de laatste
rustplaats van haren uit het hoofd
en mokkende murmels vocht van
een veer uit dronken dorgrond

bosjes hulst – alexander baneman

een gruweldicht

‘Het was niet zoals andere voorwerpen op de binnenplaats, in ondoordringbare duisternis gehuld, maar er straalde een
naargeestig licht van uit, als van een bedorven kreeft in een donkere kelder.’
Charles Dickens, ‘Een kerstzang in proza’.

                                de geeuw
van een bril zonder glazen
onder blauw licht van de
drie broeders tot ogen
geroepen zij blazen het
schaafsel voor het kelen
vermurwd in de nevels
van het klokkenspel

                                de geur
van tanden achter slot
en grendel de lichte voeten
van opgespoten maters
zie ik galopperen in gas
ik ruik niets mijn kijkers
te leen aan bosjes hulst
achter bij de huig